boeken :: published books






Het Dictaat van de toekomst is verkrijgbaar als papieren boek en als e-book:
Papieren boek
E-book


VOORWOORD: Het Dictaat van de Toekomst

'Het Dictaat van de Toekomst' is een geestige, avontuurlijke roman over controledrift, zinnelijkheid en liefde. De vertelling laat zich lezen als een parabel over ons leven op aarde.
Een paradijselijk oerwouddorp wordt belaagd door een plaag. De burgemeester neemt maatregelen om de toekomst veilig te stellen, maar dan arriveren vreemdelingen. Ze zijn de Hel ontvlucht en zoeken onderdak in Het Paradijs. Hun komst heeft verrassende effecten.  
Over Paul Dijkman:
Na zijn studie architectuur in Delft werd Paul Dijkman publicist en beeldend kunstenaar. Zowel zijn romans als non-fictie draaien om menselijke verlangens en onzekerheden. Het leven is een labyrintische exercitie, een raadsel waar we ons doorheen moeten rommelen. Zijn schrijfstijl is barok, verrassend, vlot verhalend, met humor en scherpte. 'Het Dictaat van de Toekomst' is een vertelling, een parabel, maar wel gebaseerd op werkelijke ervaringen. In zijn wilde jaren maakte Dijkman volstrekt onverantwoorde tochten, o.a. door de Amazone - waarvan hij bijna niet terugkeerde omdat hij verdwaalde. Ook de goudzoekers in het boek zijn weliswaar symbolische figuren, maar ze hebben echt bestaan (foto beschikbaar) en leerden de auteur het goudzoekersvak in Venezuela. Hun namen, Luigi en Salvador, heeft hij uit respect ongewijzigd gelaten. Zo leven ze voort in een parabel. Andere boeken van Paul Dijkman: Het Mannenmoeras (roman, Uitgeverij IJzer, herfst 2020). De kracht van onzekerheid - leven tussen chaos en orde (Uitgeverij IJzer, 2018). De structuur van het geluk (Uitgeverij IJzer, 2008). Nieuwbouw en Sfeer - handboek voor architectonische sferen (Uitgeverij IJzer, 2006). Harteloze Gebouwen en de dierentuin voor de mens - een aanval op het modernisme en opening tot een nieuwe architectuur (Uitgeverij Uniepers, 1992). Pamflet tegen kille, rationalistische architectuur.  

Fragment (1e hoofdstuk) 'Het Dictaat van de Toekomst'.  

Het Paradijs koesterde zich in de opkomende zon. De natte daken glommen, repen slagschaduw rustten in de holten van de pannen, uit schoorstenen kringelde rook. Aan de kop van het Marktplein ving de burgemeesterswoning de ochtendzon vol over de symmetrische gevel. De deur ging open, licht sloeg de hal in, de burgemeester trad naar buiten. Hij knipperde met zijn ogen, trok de deur achter zich dicht, en liep, een stenen koffiekruik in de hand, schuin het plein over naar het raadhuis.

Ernesto Perimeno Paz was een bemoeizuchtige vijftiger met stevig zitvlees en korte vingers. Zijn gezette lijf volbracht de oversteek van ambtshuis naar raadhuis autonoom op het ruggenmerg, de hersenen waren afwezig, ze bestuurden het dorp vanaf het moment dat de voeten het slaapkamerkleed raakten. Burgemeestersvrouw Nini kon haar dagplanning kwetterend doornemen, ze stoorde haar man niet, hij hoorde haar niet, hij regeerde. Het Paradijs besturen was geen sinecure. Uitgekiend hield Ernesto zijn onderdanen op het door hem uitgestippelde spoor. Een vermaning hier, een goede raad daar. Besturen betekende sturen, niets ging vanzelf. Het vissersconvenant, de aanpassing van de notariële stempels, de bijenwasaffaire; als er niet ingegrepen werd kwam men voor voldongen feiten te staan, en de wereld stond al stijf van de voldongen feiten. Besturen was bewegen, en laten bewegen. Zette hij het juiste in beweging? Soms sloeg de twijfel toe. Vele dorpe­lingen bewogen zonder hem. Het waren altijd de slijmballen die hem stoor­den, en de sterken die hij zelden sprak. Hij zag hen op de markt, een vrouw met een kind, hoe heet­ten ze ook alweer? Was het de moeder met kind of een generatie verder, kind met klein­kind? Hij hield de tijd niet bij. 'Verdi!' brulde de Grote Beweger dan naar de kierende deur. De hulp­roep ging door de spleet, rechtsaf door de hoge gang, voorbij de raadzaal naar de betegelde ontvangsthal alwaar ambtenaar Verdi het loket 'bevolking' beheerde. 'Verdíí!' Verdi was zijn rechterhand. In het dorp ging de grap rond dat burgemeesters' rechterhand meer deed dan archieven opschudden.

'U riep, burgemeester?'

'Verdi, die vrouw met dat jengelkind gisteren bij het voorraadhuis, wie is dat ook alweer?'

Verdi liep om het bijna kamerbrede burgemeestersbureau, trok aan burgemeesterskant de juiste lade open, pikte er een dossier uit, bladerde, en legde de map opengeslagen op het schrijfleder. 'Ze is vegetariër geworden, burge­meester, ik zal de gegevens bijwerken.'

Verdi's hang naar volledigheid was maniakaal, een eigenschap die Ernesto ten diepste bewonderde. Verdi's ambtelijke carrière was begonnen in de kelder, als archivaris tweede klasse. Na het verscheiden van zijn baas reorganiseerde hij het morsige archief tot een toegankelijk informatiecentrum, bracht het genealogisch register op orde en opende een afdeling onderzoek. Verdi's scherpe pen was Ernesto opgevallen. Het archief was puntig en sprekend; gekoppelde feiten met een toefje emotie. Dagelijks raadpleegde de leidsman de alfabetische bakken, zijn waardering voor Verdi was evident, en de sollicitatie van de archivaris tweede klasse naar de lagere functie van lokettist 'bevolking' werd dan ook verklaard uit een plots opgekomen kelderangst. Met een glazen oog, zo veronderstelden zijn collega's, benauwde een kelder dubbel. Ernesto willigde het verzoek terstond in en compenseerde de functionele degradatie met een promotie in salaris en een extensie van het werk. Verdi werd notulist. Jarenlang hadden de raadsheren hun vergaderingen per toerbeurt genotuleerd. Hun krabbelige kladje hing ter inzage op het bord 'kennisgeving' in de hal, direct achter de klapdeuren. Nu notuleerde Verdi het gekibbel. Verdi deed wat de burgemeester van hem verlangde. Zijn schoonschrift, zijn vermogen wollige pleidooien te scheren tot op de trefwoorden, en vooral, zijn gave hele zinnen onnaspeurbaar in vergetelheid te doen verdwijnen transformeerde een wanordelijke raadsreünie tot een constructieve bespreking. Verdi's openbare verslagen waren pronkstuk­ken van redelijkheid. Dankzij bode Verdi bleven de raadslieden heer. De oorspronkelijke, niet-openbare aantekeningen werden onderworpen aan een gezamenlijke analyse. Verdi fileerde de raadsheren tot op hun verborgen agenda. Verdi was Ernesto's vertrouweling. De archivaris had geen keldervrees, hij was uit de kelder gehaald. Verdi was geroepen om te dienen onder de leider.

De burgemeestersbenen verlieten het Marktplein, bestegen de drie kalkstenen treden van het raadhuis, de arm met kruik dempte de schokken, de vrije hand pakte de sleutel uit het jasje, de deur werd geopend, de buik voer door de tochthal, armen drongen de klapdeuren uiteen, voeten galmden door de ontvangsthal met loket 'bevolking', het lijf zwenkte links de hoge gang in, benen liepen voorbij de raadzaal, naar de werkkamer waar het brein weer aansluiting vond met de omgeving. 'Goedemorgen,' zei het tegen het bijna kamerbrede palissander werkbureau.

Ernesto hield van zijn werkkamer, van de stilte in het gebouw voor het openging voor publiek. 's Morgens vroeg was het alsof de muren hem opnamen in hun midden. Ze schermden hem af, hiel­pen hem, ademden rust. Hij kon alle hulp gebruiken. Hij was gespannen de laatste tijd.

'Je drinkt te veel koffie,' meende Nini. Ze masseerde zijn harige, dikke buik met nardusolie.

'Ik heb veel aan mijn hoofd.'

'Je moet je werk niet mee naar huis nemen.' Haar handen gleden omlaag, olieden zijn geslacht, speelden met de glibberende edele delen als kneedden ze kadetjesdeeg. Het kon hem niet beroeren.

'Nini, ik ben een beetje moe.'

Hij wilde haar niet belasten met de waarheid. Jaren had hij Het Paradijs fluitend bestuurd, hij genoot van zijn werk, hij genoot van zijn vrouw, tot zo'n drie maanden geleden. Het overkwam hem 's avonds. Het was laat geworden op het raadhuis. Nini sliep al toen hij thuiskwam. Hij at een broodje in de keuken, ging naar boven, kleedde zich uit, trok zijn schone, gestreken pyjama aan en ging voor het raam staan, uitkijkend over het nachtelijke Marktplein. Hij overdacht zijn regie, het bestuur­lijke maatwerk, zijn subtiele manipulaties. Ja, het was goed. Turend over het verlaten plein stond hij de vermoeidheid toe te komen. De leider staarde in het zwart, slaperig, en toen was het er. Hij wankelde, greep zich vast aan het kozijn. Hij hallucineerde! Op het plein liepen skeletten. Kevers zwermden om hun schedels.

De verschijning verdween. Het hart bonsde in zijn keel. Eén flits was het geweest, als verlicht door de bliksem, kevers en skeletten. Hij kon niet meer slapen. Uren bleef hij op, op blote voeten drentelde hij voor de ramen, heen en weer, heen en weer. Wat had hij gezien?

De volgende ochtend maakte Nini hem wakker. 'Manneman, je hebt een vergadering.' Hij sprong uit bed, douchte kort, schoot zijn kleren aan en haastte zich naar het raadhuis. Verdi wachtte hem buiten op, opende de deur. 'Goedemorgen burgemeester, ze zitten al.' Hun voetstappen galmden door de hoge, betegelde hal. Ze betraden de raadzaal, een hoge, rijk versierde ruimte met ramen tot aan het plafond. De raadsheren zaten in met leer beklede zetels aan een zwart-glimmende, ovale tafel. Eén zetel had een hoge rug. 'Goedemorgen heren,' groette Ernesto terwijl hij naar zijn stoel liep. 'Verdi? Zou jij ons op weg willen helpen?'

'Op de agenda staat boer Marcello,' meldde Verdi. 'Landgoed Uiterst Oost is niet productief. Het voorstel van de burgemeester ligt uitgewerkt voor u. A: onderzoek, B: ultimatum, C: onteigening.'

Ernesto nam plaats. 'Ik open de vergadering.'

De bijeenkomst leidde nergens toe. Ernesto was er niet bij met zijn hoofd. Enkele raadsheren verdedigden Marcello. Ze vonden dat de erfgenaam meer tijd moest krijgen om het boerenvak onder de knie te krijgen. Ze kwamen er mee weg, tot verbazing van henzelf, en Verdi, de notulist. 'Burgemeester,' peilde Verdi tijdens het opruimen, 'bent u ziek?'

'Nee, Verdi. Hoe kom je erbij.'

'De raad heeft uw voorstel afgewezen.'

Ernesto was geboren in een wasserij. Zijn moeder bloedde dood tussen de wringers en het witgoed, de naam van de verwekker koppig verzwijgend. Het kind bleek slim en werklustig, hard en eerzuchtig. Zijn pestnaam 'vetnek' droeg hij als onderscheiding. Fier verliet hij de slagersvakschool om gekozen te worden in de raad. Tegenspartelende raadsheren vermorzelde hij onder zijn dossierkennis, meegaande collega's ontvingen steun. Eenmaal eerste burger wist de straatvechter met een reeks kleine wetswijzigingen zijn macht te consolideren en te vergroten. Ernesto nám zijn verantwoordelijkheid. Niets had hij gekregen, alles was veroverd. Ernesto gáf geen voorstel weg. 'Was het tactiek?' vroeg Verdi.

'Hè? Nee, eh, ik eh... ik ben een beetje moe, Verdi.'

Zijn hersenen herkauwden de verschijning, tijdens de vergadering, aan zijn palissander bureau, 's avonds thuis, 's nachts. Pas na een week ebde het voorval uit zijn lijf en kwam hij tot rust. Over­dag be­stierde hij Het Paradijs, 's nachts bond hij Nini vast met zijde. Lang mocht hun geluk niet duren. In de nacht van haar maan­stonde sloegen de hallucinaties weer toe. Nini sliep, Ernesto stond in gestreken pyjama voor het slaapkamerraam. Wegdromend over het donkere Marktplein werd hij bevangen. Het plein werd het podium van een macabere act. Kevers zwermden. Hij zag uitgemergelde kinderen, bolle waterbuiken. Hongersnood!

En weg was het.

Donker was het plein. Ontmantelde marktstalletjes leken geraamten. Werd hij, de hoogste burger, gek? Of waren de beelden een verheven, superieure waarneming? Hallucineerde hij of was het een visi­oen, een belangrijke voorspelling? Werd hij gewaarschuwd voor een nieuwe keveraanval? Zou Het Paradijs wéér overvallen worden, ditmaal met hongersnood als gevolg? 'Onzin.'

Ernesto liep om zijn bijna kamerbrede bureau, zette de koffiekruik naast het schrijfleder en nam plaats in de hoog­gerugde burgemeestersstoel. Een schoon koffiekopje stond ondersteboven klaar op het schoteltje. Hij draaide het kopje om, trok de kurk uit de koffiekruik en schonk in. De geur van warme koffie sterkte zijn wankele, vermoeide gemoed. Dit was zijn plek. Stapels rapporten wachtten op zijn beoordeling. Geen hallucinaties, maar vraagstukken uit de reële, materiële, tastbare wereld. Hij nam een slok koffie, likte zijn lippen af en pakte het 'Verslag Inzake Achterstallig Onderhoud Oerwoudmuur' van de stapel links van hem. Hij bladerde het door, las de conclusie – 'gebrek aan moedig personeel' –, legde de map op de stapel rechts en pakte een nieuw rapport. 'Verslag Inzake Brandschade Boerenland'. Vandaag was het een jaar geleden dat de kevers toegeslagen hadden. Hun verdrijving met rook had zijn tol geëist. Akkers waren afgebrand, schuren moesten herbouwd worden, bomen geplant. Kevers plunderden de dorpskas. Was het mogelijk? Een tweede plaag? Twee aanvallen op een rij? 'Nog nooit vertoond.' Ernesto nam een slok van zijn koffie, opende de map 'Brandschade', bladerde, en las de conclusie. De rekeningen waren voldaan en alle boerderijen waren vol in bedrijf, op één boerderij na. 'Landheer Marcello Marcelli,' schamperde Ernesto. Marcello was van geboorte heer noch boer. Hij was opgegroeid in dorpse drukte, in het watermolenhuis tussen de rivier en de Voorstraat. Hij had zijn landgoed geërfd van een verre, kinderloze tak en produ­ceerde louter onkruid. 'Onteigenen,' mompelde Ernesto.

Alle haren van zijn pelzig vel gingen overeind staan. Het angstzweet brak hem uit. Het visioen opende hem de ogen. Kevers zwermden. Hij zag kale, geblakerde akkers. Hij zag het dorpsvoorraadhuis, leeg, schoongemaakt tot in de kelder, geen grammetje noodvoorraad, geen zakje zaaigoed, niets. Hij zag de lege winkels, de lege schappen. Hij zag zichzelf in de kerker, hongerig en verlaten. Onbedwingbaar dwaalde zijn geestesoog af naar de rivier. Hij zag de leegte. Hun brug, de stenen boogbrug, de enige verbinding tussen Het Paradijs en De Overkant was ingestort.

Het visioen verdween. Drijfnat zat Ernesto achter zijn bureau. Het Paradijs stierf en hij werd opgesloten. Was het de toekomst? Waarom werd hij opgesloten? Was hij schuldig, omdat híj burgemeester was en dus verantwoordelijk? Wat kon hij doen om het dorp te redden? Kón hij iets doen, of was hij overgeleverd aan het lot? Lag de toekomst vast? Geschiedden goed en kwaad buiten hen om? Maar... als hij machteloos was, dan was hij ook niet verantwoordelijk. Waarom werd hij dan opgesloten?

De plaag der plagen kwam de volgende morgen, met de stralen van de zon. Dichte keverwolken blikkerden in de roze ochtendgloed. Harmonisch zoemend vielen ze aan. Golf na golf streek neer in de akkers, de oogst verkruimelde, zwartglanzende bolletjes dansten in het licht. De boeren sloegen alarm. Schel geklingel woei over de velden, de rivier over, naar het dorp.

Ernesto en Nini sliepen. Het verre boerengeklingel wekte hen niet. Buiten op het Marktplein rende de bakker, matineus als altijd, tussen de stalletjes door naar het ordehuis. Hij bonsde het orde­hoofd uit zijn bed. 'Kévers!' Het ordehoofd schoot een broek aan, griste de sleutel uit de roestige koffiepot, spurtte naar het raadhuis, sloeg de sleutel in het slot, sprong door de tochthal, splijtte de klapdeu­ren, stormde door de galmende hal, door de galmende gang, voorbij de raadzaal, voorbij de werkkamer, rukte de torendeur open en dribbelde het trapje op. Hij greep het touw met twee handen beet en tilde zijn voeten van de grond. De zware bel bewoog. Een dreunende galm deed Het Paradijs beven. 'Kevers!' ontwaakte Nini. De ruiten trilden in de sponningen, het glaasje water liep over het nachtkastje, Ernesto ronkte. 'Manneman! Wakker worden!' De tengere Nini schudde het bewusteloze lijf. Na een kommervolle, slapeloze nacht had de leider van Het Paradijs zijn kussen omarmd om niet meer los te laten. 'Kevers! Manneman! Kevers!'

De leider werd niet gemist. Elke wijk wist wat te doen, elke burger was van kindsbeen af gedrild. Bij de stallen heerste een hectische drukte. Koetsen, paardenwagens en ezelskarren drongen door de volle straten. Voetgangers met bezems, mattenkloppers, stokken en lappen staken de brug over naar het boerenland. Belgelui jammerde, zwart zwermden de kevers over de velden. De burgers die slecht ter been waren beschermden het maïs en de gierst nabij de brug. De hardlopers en ezelskarren verdedigden de mango's, papaja's en de rijst in het middengebied. De paarden snelden naar de afgelegen streken met suikerriet, ananas en druiven. Splitsende zandwegen braken de horde op in troepen, karbrede zijwegen verdeelden de troepen in ploegen, paden verkleinden de ploegen tot groepjes, irrigatiekanaaltjes distribueerden de meppers over akkers en tuinen. Tegen de tijd dat boeren hoog aan de wind met fakkels de aarde ontbrandden en rook en hitte voorkwamen dat nog meer kevers zouden landen, tegen die tijd maaiden en porden van noord tot zuid, van oost tot west burger en boer zij aan zij door de gewassen, kevers plettend, kevers de lucht in jagend waar de rook het gespuis zou verdrijven, westwaarts, naar het eeuwig hongerige woud, het oord waar vraatzucht de vraatzucht vrat.

Het ging fout. De wind wakkerde aan. Harde vlagen bliezen het vuur door de akkers. De vlammen laaiden op, vonkenregens besproeiden de blussers, het vuur won aan kracht. Het begon te stormen. De vlammen keerden zich tegen de mensen, de brand greep om zich heen.

Huiverend stond Ernesto voor het slaapkamerraam. Horizonbreed rookte het land. De avond viel. Storm loeide om het ambtshuis, het visioen rammelde aan de luiken. Het werd donker. De wind gierde door Het Paradijs met ijle stemmen die de honden deden huilen. Het werd nacht. Ernesto tuurde naar de horizon. Steeds weer lichtte een rode kern op in de duisternis.