boeken :: published books




(A. Zomerhout is een pseudoniem van Paul Dijkman)

Een hormonaal gestuurde student ontmoet de liefde van zijn leven, trouwt haar en raakt betrokken bij valse kunst. Dan verongelukt ze in Baskenland. Is ze werkelijk dood? Geruchten beweren anders.

"Ze was mijn vrouw, een liefde zoals je die maar een keer in een leven tegenkomt, zo natuurlijk, sprankelend en hartstochtelijk. Ik verbaas me nog altijd over de nonchalance waarmee ik haar uitzwaaide. Ze nam het vliegtuig naar de Picos de Europa en verdwaalde in het diepste van de aarde. Weg, dacht ik, dood. Later bleek dat ze verdwenen was omdat ze zielsveel van me hield. Ik wist van niks, ik was gebroken. God weet hoe wanhopig ik probeerde om mijn leven weer op te bouwen. G?nant om het zonder terughoudendheid te vertellen. Toen het gerucht opdook dat mijn grote liefde nog leefde, ergens, anoniem, ja, toen moest ik iets verzinnen. Het was een idioot plan maar het werkte. En hoe..."

Ik dank de schrijver voor onze avonden op Aruba. Hij heeft er een mooi boek van gemaakt. Ik kan er eindelijk om lachen en weet je, dat is het mooiste, dat ik erom kan lachen. Heerlijk.

A. Zomerhout is een pseudoniem van Paul Dijkman.

A. Zomerhout
De man die zijn liefde kwijt raakte
Prijs € 18,50.
220 blz. Formaat 14,5 x 21
isbn 978 90 8684 055 7

Uitgeverij/publisher IJZER (www.uitgeverij-ijzer.nl)


Fragment hoofdstuk 1:


Jeugd

Ik schrijf het gewoon op zoals het gegaan is, zonder omwegen, ongecensureerd. Wie zonder zonde is werpe de eerste steen. Ik ben geboren in Zierikzee aan de Oude Haven op 5 december 1969. Mijn vader was een gereformeerde Zeeuw, mijn moeder een katholieke Arubaanse. Toen ik vijf maanden oud was viel mijn vader van zijn geloof en verhuisden we met z?n drie?n van Schouwen-Duiveland naar Aruba. Op mijn zesde verhuisde ik met mam en mijn drie zusjes terug naar Nederland. Mijn vader heb ik nooit meer gezien. Het laatste bericht was dat hij in Venezuela illegaal op jaguars joeg. Bij een militaire controlepost tegen Colombiaanse infiltranten zou hij gesnapt zijn met huiden. Vanaf dat punt kende het verhaal twee varianten: hij was voor het leger gaan werken of hij zat ergens in de bak. Mam deed hem af als sinberguenza, als schaamteloze nietsnut. Mam was een lieve vrouw, maar ze hield niet van losbollig machogedrag, het leven was al ingewikkeld genoeg. Discipline was de prothese (jawel, zo zei ze dat) van de mens. Met discipline sloegen wij ons door de armoede. En arm waren we. Sinterklaas was altijd verdwaald. Onze enige rijkdom bestond uit de schilderijen van mijn vader, die had mam niet weggegooid, die werden misschien ooit nog eens geld waard. Het huis hing er vol mee, stillevens in de stijl van Matisse en kleurrijke Arubaanse landschappen. Een grote hekel kon ze aan onze vader niet hebben, zo redeneerden wij. Achter de schilderijen verstopten wij boterhammen. Als je vijf minuten te laat aan tafel kwam kreeg je geen hap, daar was mam onverbiddelijk in. Een noodvoorraad was handig. ?Dank je, pap,? zeiden we als we een broodsnee achter de lijst weg graaiden. Soms waren ze beschimmeld. Zou pap echt in de gevangenis zitten?

Op de middelbare school werd ik tot plafondhoogte geprezen. In de eerste klas dacht ik dat mijn goede cijfers complimentjes uitlokten omdat ik een buitenbeentje was, een joch van een tropisch eiland, een armelieden-eenouderkind dat zich toch maar knap wist te redden in de grote stad. Maar ook nadat onze klas verkleurde door nieuwe immigranten bleven de leraren mij op handen dragen. Objectief gezien waren mijn rapporten inderdaad goed. Die twijfel aan mezelf sloeg nergens op, dat snap ik nu, achteraf. Net zoals ik achteraf snap hoe ik aan die rapporten kwam: discipline. Ik was een kind van mijn moeder, discipline was me met de paplepel ingegoten. En ik was een kind van mijn vader. Pap schonk me een diepgeworteld gevoel van minderwaardigheid. Misschien waren het zijn genen of misschien voelde ik me een ongelooflijke sul omdat hij me onverwacht verlaten had, ik weet het niet, misschien doe ik hem tekort. Wat ik nu besef is dat mijn hoge studiepunten mijn fundamentele onzekerheid moesten compenseren. Ik vond studeren geen probleem, ik vond het zelfs leuk, maar het ging me om meer dan om de kennis. Via mijn uitmuntende rapport liet ik de wereld weten dat ik iemand was. Vooral meisjes moesten deze boodschap krijgen. Ik droomde kinderlijk lieve dromen over mijn klasgenote Isabel maar durfde haar niet aan te kijken, laat staan aan te spreken. Ik fantaseerde dat we hand in hand door de binnenstad liepen, hoe heerlijk, hand in hand met dat zachte lieve meisje, hoe hemels zou dit zijn. In bed fantaseerde ik dat ze haar schoenen strikte waarbij haar blouse openviel en haar borstjes zichtbaar werden. Het wond me meer op dan de ruigste porno van latere tijden. In de klas zat ik schuin achter haar. Soms streelde mijn blik haar rug. Mijn ogen gleden als vingers door haar lange donkerblonde haar, ik voelde de krullen. Als ze omkeek (alsof ook zij het voelde) dook ik geschrokken in mijn schrift. Mijn bloed verdeelde zich tussen hoofd en broek en een week lang ging mijn nek op slot, alsof er een begrenzer op zat die Isabels klaskant buitensloot. Vurig hoopte ik dat de leraren de proefwerkpunten hardop zouden voorlezen. Luister! Ik ben geen sul! Een tien voor wiskunde zou Isabel imponeren. Mijn studiebureau was mijn slagschip. Studerend veroverde ik dat lieflijke schepsel en in een moeite door de hele wereld eromheen, het gecompliceerde stelsel van oorzaak en gevolg. Appels vielen omlaag en jongens vielen op meisjes. Waarom? Hoe werkte het? Isabel maakte deel uit van een schaakbord. Mannen en vrouwen verlangden naar elkaar, keurden elkaar, kleedden elkaar uit, deden opwindende dingen waar je kinderen van kreeg. In ons biologieboek stonden technische tekeningen van opengewerkte lichamen, vrouwen en mannen. Ze probeerden elke zweem van erotiek te vermijden. De mens werd afgebeeld als een motorblok. Als je zoende met een meisje zoende je met een fascinerende machinerie, een Goddelijke robot. Het maakte me nieuwsgierig naar de verborgen binnenkant van paarden, duiven, pissebedden, treurwilgen, radio?s, fietsbellen, bacteri?n. De microscopen van biologieles waren mijn favoriete instrument. Met een dode machine onderzochten we een levende machine. God had kleine vingers, want anders zette je zoiets niet in elkaar. En God had reuzenklauwen. Hij was de beeldhouwer van sterren en planeten en een formidabel technicus. Massa trok massa aan, dat was goed verzonnen en handig want zonder zwaartekracht slingerde de aarde ons de ruimte in. De aarde had een stabiele kern van ijzer. Om die kern zat een plastische buitenkern en daaromheen vloeide een dikke aardmantel van gloeiend heet magma. We werden beschermd tegen dit magma door een dunne, gestolde aardkorst. Op deze onzekere korst bouwden we huizen om in gezinsverband te wonen. 's Avonds aten we vis van de markt.
Fysische aardrijkskunde, scheikunde en natuurkunde (vooral kogelbanen) vond ik interessant. Talen waren onlogisch, die leerde ik omdat het moest. Ik was een Streber. Bovenop een berg uitmuntende cijfers was ik veilig. Als ik uitgleed en de berg af tuimelde ging ik mijn vader achterna de verdoemenis in. Een mens was verantwoordelijk voor zijn eigen daden ? zei mama zowat elke dag. Ik betwijfelde dat. Toen we met de klas op schoolreis gingen naar Cadzand (Isabel zat achterin de bus met vriendinnen, ik zat voorin) zochten we naar haaientanden op het strand. Ik vond een grote. De haai was al miljoenen jaren dood en ik had zijn tand in mijn hand. De tand had vissen uiteengereten. Was de haai verantwoordelijk voor al dit leed? De haai at geen zeewier. Hij was als haai geboren. Mensen aten wel groente en konden vis vermijden. Toch kocht mama vis. Misschien was de haai beter dan mama. Ik kon het me niet voorstellen. Ik snapte het gewoon niet. Hoe kon ik een goed mens zijn als ik de constructie niet snapte waarbinnen ik leefde? En waarom bestond onrecht? Had God onrecht geschapen? Mijn liefde voor Isabel kreeg een knauw toen ze openlijk koos voor Ewout. Nooit heeft ze van mijn zuivere, o zo kwetsbare liefde geweten. Jaren later zag ik Ewout met een andere vrouw. Isabel was verspild. Onbegrijpelijk dat God zoiets toestond.
Terugkijkend ben ik ??n leraar bijzonder dankbaar: meneer Brummelaar van wiskunde. Hij was een systematicus die mededogen had met pubers. ?Als jullie tachtig zijn kunnen jullie je leven relativeren. Neem jezelf tot die tijd niet te serieus want daar word je ongelukkig van.?
'U bent zelf ook nog geen tachtig meneer.' ?Ik ben halverwege en word met het jaar gelukkiger, al verlies ik af en toe een onderdeel.' Brummelaar was stoer. Hij had bij een motorongeluk in de zomervakantie een onderarm verloren. Op de stomp kreeg hij een kunstarm die hij kon bedienen met zijn zenuwen. De leerlingen van de school maakten het hele oefenproces mee. Eerst kneep hij een colaglas kapot. Na een paar maanden kon hij water drinken uit een rank champagneglas en schrijven op het bord. Wij waren even trots als hij. Soms legde Brummelaar het wiskundeboek opzij om ons 'een breder perspectief' te bieden. Dan vertelde hij diepzinnige verhalen over de Oude Grieken en wij, de puberklas, luisterden stil omdat we hem mochten. Hij vertelde over de atoomleer van Democritus en Epicurus, over het Rijk der Idee?n van Plato en nog veel meer van dat soort onbegrijpelijke dingen. Hoe konden de Grieken zonder microscoop verzinnen dat de wereld opgebouwd was uit atomen? Thuis aten we rijst met vis en roddelden mijn zusjes over hun vriendinnen. ?s Avonds ging de tv aan en keken we een soap. 's Morgens at ik Hollandse hagelslag en pindakaas. Op school besprak Brummelaar de voorgeschiedenis van Pythagoras, Archimedes in bad, de algebra van de Arabieren, de Europese renaissance en de verlichting. Thuis ontdekte mijn moeder mijn Playboy en legde hem stilletjes terug. Hij lag verkeerd om. Ik gooide de besmette Playboy weg en verborg de nieuwe achter het stilleven van mijn vader, een grof olieverfschilderij met een grote vis, knalgele citroenen en een wijnglas. Het was geschilderd in onze Arubaanse tijd. Pap had ook tientallen blote vrouwen geschilderd maar die stonden (beter gezegd 'lagen', nogal expliciet wijdbeens, de Playboy was er zuinig bij) in dikke rijen op zolder, die wilde mam niet aan de muur. Op school vertelde Brummelaar over Descartes? scheiding van het lichaam en de geest. Ik constateerde dat het bureaublad mijn dwarszittende erectie scheidde van mijn studerend verstand, sloeg de hand aan mijn opstandige zelf en boog me ontspannen over de wiskunde. Wetenschap hielp.
Het eindexamenjaar was het zwaarste jaar. We kregen een nieuwe leerlinge in de klas, Jacqueline, een advocatendochter met golvend blond haar en tot een lijntje ge?pileerde wenkbrauwen. Ze leidde me af. Zou ze haar schaamhaar trimmen zoals mijn meisjes achter het schilderij? Toen onze klassenleraar Van Hoven haar vroeg iets over zichzelf te vertellen kwam ze onverwacht grofgebekt uit de hoek. 'Ik ben Jacqueline. Ik vind deze stad vulgair.' Ze was duidelijk tegen haar zin verhuisd en weigerde te integreren. Zelfs de populairste jongens hield ze kil op afstand maar gek genoeg was ze aardig tegen mij. Ze gebruikte me. Hoe ze me meetroonde weet ik niet meer, ze had van die handigheidjes uit de betere standen. Ineens zat ik bij haar ouders op de bank netjes te wezen met een kopje thee tussen de dozen onuitgepakte huisraad. Ik was haar dreigement, het dwangbevel om de dozen weer in te pakken en terug te verhuizen naar het lommerrijke Soest. Ik representeerde potentieel Antilliaans bloed in de Hollandse familie. Jacquelines moeder informeerde vriendelijk naar mijn ouders ('Ik woon bij mijn moeder mevrouw.'), mijn broertjes ('Ik heb geen broer mevrouw.') en zusjes ('Drie, mevrouw.'). De dag erop kreeg Jacqueline een familiepak condooms ? wat ze luidkeels vermeldde tijdens de overblijf. Mijn aanzien op het schoolplein steeg. Ik snapte er niets van, ik had haar niet aangeraakt maar het kwaad was geschied, de onrust in mijn hoofd gewekt. Dezelfde hersenen waarmee ik een 9 haalde voor wiskunde begonnen zich te verzetten tegen dromerij. De wereld was fysiek. De prikkelende Playboyfoto's hadden een levende, warme, geurende pendant die echt bestond. Ik kon Jacqueline aanraken. Ik kon haar geur opsnuiven, met haar zoenen, mijn handen konden haar lichaam verkennen, ik zou zelfs kunnen afdalen? En niet enkel Jacqueline had borsten en een blond behaard geslacht, alle meisjes van de klas konden mij omarmen en hun zachte wangen tegen de mijne vlijen. Ik was een sul. Was dat eigenlijk wel zo? De meisjes kenden me niet. Ze konden niet in mijn hoofd kijken en ontdekken dat ik een sul was. Als ik me stoer gedroeg, dan was ik stoer. Sterker nog, dan was ik stoer en slim. Superman. Ik wilde een meisje in mijn armen sluiten. Bij vol verstand werd ik opgewonden van hun haar in het deurgedrang, van het korte contact met een trui met daarin een bh en daarin levensechte zachte borsten. Descartes ging in de prullenbak, mijn hersenen hoorden bij mijn lichaam, ik was één ondeelbaar hormoonatoom. En als ik me beter voor moest doen dan ik was, dan deed ik dat.